DonFrodo
Trust man - 37 jaar, Mechelen, België
- Vrienden |
- Gastenboek
- | Foto's
- | Blog
- | Brands
- | Groepen
- | Video's
- | Shouts
- | Links
- | Applicaties
Blog 3
-
Die ochtend in de krantenwinkel
Die ochtend in de krantenwinkel
Wissel ik het laatste nieuws
Van de morgen voor een euro
Die ochtend in de krantenwinkel
Wikkel ik een foto van jou
In het bedrukt papier hier
Met mijn hand verkrampt om de krant
Waar een broodschrijver de pols voelt
Van de spraakmakers van gisteren
Dansen kapitalen voor mijn ogen
Anders dan jij diep vannacht
In een ritme dat ik niet bevat
In een paleis houdt een vorst
Het been protocollair stijf
In een woestijn ontploft een mens
En de stukken raken mij niet
Zoals jouw lenige onderrug mijn hand
Voor jouw borsten gegoten
Die ochtend geef ik mij
Over aan de orde van de dag
En vergeet ik hij en jij en nog 's hij
Die ochtend versmelten feitjes
Van gisteren met dromen van de nacht
In een vuilnisbak aan de krantenwinkel
(Omdat het vandaag Internationale Gedichtendag is.) -
De tijd van de nacht
Zoals de nacht de dag sluiert, snoert zij mij de mond
Haar ogen spreken boekdelen en bevelen mijn handen
Naar beneden op de tast verdwaal ik verlies ik
Mijn zinnen na mijn woorden en zij leidt mij op de grond
Mijn voeten ontaarden in die van haar en haar haar
Kranst nu ook ook mijn gelaat en gelaten streelt het
Mijn naakte schouders die nu een bekken torsen
Een baken naar de haven en ik berg mijn waar
Ongehoorde woorden vinden een echo in het duister
Dat zij had doen vallen met een knip van haar hand
En het nachtlampje naast dit bed waarin menig goed man
Viel en daar nooit spijt van had en ik luister
Met mijn hand op haar hart
Zonder licht zie ik klaar
De rode digits geven aan
Hoe laat dromen vergaan -
Maritieme lucht
Wanneer de hemel zijn loden grijs met haar groen verzoent
Ontwaart de dichter de doler op drift. Zijn kin geheven
Met windkracht zeven die de regen striemt in zijn gezicht
De zee stort haar golven op het vlakke land van zand
Terwijl de dichter op haar metrum danst. De doler fier
Op zijn pier diep in zee, een toren vurig aan land
De loden lucht drinkt zwarte inkt en Luna sommeert
Neptunus al die schuimbekkend en drietand in de hand
Uit het water rijst, zijn zeemeermin de rug toekeert
Dan dicht de doler, dan dwaalt de dichter
Dan rijmen zij erbarmelijk maar dichter
Waren geen twee dan zij aan zee