<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!-- generator="FeedCreator 1.7.2" -->
<rss version="2.0"  xmlns:media="http://search.yahoo.com/mrss/" >
    <channel>
        <title>Blog van Gerd</title>
        <description>Blogberichten van Gerd</description>
        <link>http://nl.netlog.com/Cobblestoned/blog</link>
        <lastBuildDate>Wed, 25 Nov 2009 20:27:32 UT</lastBuildDate>
        <generator>FeedCreator 1.7.2</generator>
        <image>
            <url>http://nl.netlogstatic.com/p/tt/057/928/57928898.jpg</url>
            <title>Cobblestoned</title>
            <link>http://nl.netlog.com/Cobblestoned</link>
            <description>Cobblestoned</description>
        </image>
        <item>
            <title>Op reis in de spirituele jungle - hfdst.: De Droompil</title>
            <link>http://nl.netlog.com/Cobblestoned/blog/blogid=82452912</link>
            <description> &lt;strong&gt;De droompil&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Tegen de tijd dat hij Changamalo had teruggevonden en met hem samen naar de bus was gegaan, was de dag bijna voorbij. Thuis had hij geen honger, zijn maag deed nogal vreemd. &amp;quot;Waarschijnlijk door die hersenplant&amp;quot; veronderstelde hij. Hij zocht in alle boeken die hij had over exotische en inheemse planten, ook uit hallucinogene planten doorheen de geschiedenis, maar hij vond de plant nergens terug. Hij besloot er ooit eens naar op zoek te gaan, want er school zoveel geheimzinnigs in die vruchten of bloemen, wat het ook waren. In zijn hangmat schreef hij de ervaringen die hij die dag had meegemaakt zo goed mogelijk op. De effecten waren nog niet helemaal verdwenen. Heel even leken de geschreven woorden uit het papier te komen, dus stopte hij even met schrijven, zodat ze terug op het papier konden 'bezinken'. Hij zuchtte van vermoeidheid en sloot zijn ogen en boek. &amp;quot;Zwevende woorden&amp;quot; was het laaste wat hij had neergepend. Hij zakte meteen weg in een diepe slaap, zoals na een intensieve dag je goed de slaap kan vatten. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De nacht was rustig en vreedzaam. Het weer was warm, de hemel was klaar, en het bos was vredig stil. De maan wandelde langs de sterren en zakte ten slotte onder de horizon. Bij de eerste zonnestralen verscheen een fonkelend veld kristallen op de heuvel. De dauwdruppels verdampten en maakten plaats voor het bruisende leven op, onder en boven de grond. De bomen floten een lied, en vogels zweefden op de warme lucht. &lt;br /&gt;Hij was  nog in dromenland. Hij droomde van een lange rij mensen. Al die mensen stonden voor hem aan te schuiven en uit een bodemloze mand nam hij appelsienen en gaf die een voor een aan degene die vanvoor stond. De appelsien kregen steeds een andere kleur dan oranje als hij die aanraakte. De mensen leken gehaast en ongeduldig. Elk gezicht had veel weg van het zijne met enkele kleine verschillen. Het was raar, enerzijds waren er veel mensen, maar anderzijds leken ze allemaal op hem. Iedereen kwam aan de beurt en ieder nam de appelsien aan die hij hen gaf. Het leek wel zijn werk te zijn, het doel in zijn leven. Toen hij weer iemand een appelsien aangaf zei die plots: &amp;quot;Ik moet die niet hebben.&amp;quot; Hij begreep het niet. Het moest zo zijn, iedereen kreeg er een, maar hij wou hem niet aannemen. Hij bood hem steeds weer die appelsien aan en vroeg ook of hij een andere wou. Maar hij stond daar maar met zijn armen gekruist nee te knikken. De mensen achter hem begonnen te kijken waarom de rij niet vorderde, maar die man bleef staan. Een gemene grimas verscheen op zijn gezicht en hij zei: &amp;quot;Je appelsienen zijn rot.&amp;quot; Terwijl hij dat zei veranderde de mand verse appelsienen in een mand stinkende rotte appelsienen. De rij wachtenden was veranderd in een rij boze mensen die hun beschimmelde appelsienen kwamen terugbrengen. Hij smeekte hen te stoppen maar ze gooiden steeds meer rotte appelsienen, hij raakte bedolven en stikte langzaam.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Bezweet schrok hij wakker met die bizarre droom nog vers in zijn geheugen. &amp;quot;Wat was me dat? Ik ben er nog niet goed van.&amp;quot; Hij nam wat fruit als ontbijt – vermeed de appelsienen -  en met elke hap sijpelde de herinnering aan die droom weg. Hij was alles vergeten, het enig wat nog restte was de overtuiging dat hij een droom had gehad, die hij zich niet meer kon herinneren. &lt;br /&gt;Dat zette hem aan het denken. &amp;quot;Van waar komen dromen? Waarom vergeet ik ze? Wat zijn dromen en wat betekenen ze?&amp;quot; Dit waren allemaal nieuwe vragen waarvan hij de antwoorden wou vinden. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;“Vandaag doen we het rustig aan.” Zei hij tegen zijn hond die kwispelde om wat eten. “Pas op waar je loopt!” riep hij tegen Changamalo. Die had een stuk lint rond zijn poot dat vasthing aan een tafelpoot. De flesjes die ervan waren gevallen verdwenen in de rommel op de vloer. Het was daar zo een vuilnisbelt geworden en hij groef in zijn herrinneringen naar de laatste keer dat hij gekuist had. Er zat toen een rat in zijn bus. Die kon hij natuurlijk niet als huisgenoot nemen. Dat beest moest eruit. En het was nog geen dom beest. Elke poging om het te vergiftigen was mislukt. Dus moest hij het wegjagen. Changamalo deed natuurlijk niets. “Ik herinner me het nog goed. Ik had toen zo’n slaaptekort. Dat beest houd je wakker ‘snachts. Het ergste is dat je het niet ziet in het donker en overdag ligt het ergens te slapen. Het enige wat ik kon doen was alles ontruimen. Elke kier, scheur of opening werd uitgeleegd en toegemaakt. Nergens een rat gevonden, dus dat beest liep nog steeds ongestoord rond. Nu liep het zelfs sneller omdat de rommel niet meer in de weg lag. Op een bepaald moment kreeg ik mijn tic. Als een wildeman jaagde ik het knaagdier op. Al roepend en slaand, met wallen tot op mijn lippen, vernielde ik de helft van mijn bus. Alle moeite die ik had gedaan om die hermetisch af te sluiten waren tevergeefs, want met de speer had ik minstens twee keer zoveel gaten bijgemaakt. Ik zat mentaal aan de afgrond. Met de handen in het haar zat ik aan tafel, ik voelde de rat tussen mijn blote benen ritsen. De gedachte om gans dit kot af te branden met mij en de rat erin schoten door mijn hoofd. Ik zat gewoonweg mijn haar uit te trekken van colère, ik stond op het punt om er een punt achter te zetten. Het punt waar ik op stond dan. Ik staarde naar twee plukken van mijn haar op tafel. Woede, verdriet, machteloosheid, vermoeidheid. Al die emoties kwamen naar boven. Uit het niets las ik een zin in een boek dat was open gevallen op tafel. Er stond: “Als je in de afgrond kijkt, dan kijkt de afgrond ook in jou.” &lt;br /&gt;Ik liep naar buiten en smeekte de houten beelden van de heilige cirkel iets aan mijn situatie te doen. Dat was de nacht dat ik ontdekt heb dat de houterige slingerplant die rond mijn bus kronkelde niet zomaar een slingerplant was. Het was een mooie plant eigenlijk wel, zo grote mooie groene bladeren, met rode bloemen op. En de stammen dan: elke stam bestond uit 5 à 6 stammen die rond elkaar draaiden. Ik had nog nooit zo vol ontzag gekeken naar dat natuurwonder. Ik denk dat je alles anders gaat zien als je er eens in hebt gebeten. Wat het ook is, bijt erin en je beeld ervan blijft nooit meer hetzelfde. Dat is als het leven, je moet erin bijten om het beste eruit te halen. &lt;br /&gt;Ik had dus een stuk van die mooie slingerplant opgegeten. Toen gebeurde er iets, wat ik nooit verwachtte dat er zou gebeuren. Ik kwam in vrede met mezelf, met de natuur, met de rat die mijn nachtrust teistert, met mijn leven. Op het moment dat al de duistere gedachten en demonen naar boven kwamen, keek ik ze in de ogen en zei: ‘Jullie zijn hier om mijn innerlijke rust te storen, maar nu ben ik in vrede met jullie. Jullie kunnen me geen kwaad meer doen.’”&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De flashback werd onderbroken door een ratelend geluid dat van buiten kwam. Snel liep hij naar buiten en keek naar de lucht. Het was een helicopter. Je moet begrijpen dat hij in zijn leven heel weinig helicopters heeft gezien en dat dit een maffe ervaring was voor hem. Het enige vliegend materieel dat hij zag waren de piepkliene vliegtuigen, hoog in de lucht. “Dit is het eerste echte exemplaar dat ik ooit heb gezien.” Zei hij tot zichzelf. Met zijn handen in zijn zijden keek hij de helicopter na tot die uit het zicht verdwenen was. Niet zo onder de indruk als hij dacht te zijn keerde hij terug naar de bus. Hij knikte een glimlach naar de houterige slingerplant. “Het wordt tijd dat ik mijn demonen nog eens opkuis.” Zei hij als metafoor voor een grote schoonmaak te houden. Hij zocht een grote zak, vond die niet en pakte een grote lege pot in de plaats.&lt;br /&gt;“Ja ja, dat was de nacht dat ik ontdekte dat ik onder een Ayauscaplant slaap.”&lt;br /&gt;“Toen leerde ik ook dat de menselijke geest een ware aard had. Een diepliggende vaste aard die je niet kan ontkennen of veranderen. Maar er is ook een controlesysteem van de hersenen, die houdt je ware aard voortdurend onder controle. Zo kan men als normaal functionerend wezen leven in een maatschappij of gewoonweg leven. Als dit controlesysteem het even laat weten dan komt de ware aard naar boven en leert iedereen je eigen zelf kennen. Slaaptekort kan dit veroorzaken. Slaaptekort kan veel veroorzaken zoals paranoia, aggressiviteit, emotionele uitbarstingen, schizofrenie, depressie, enzovoorts.” Sprak hij uit ervaring. “En het legt dus ook je innerlijke geesttemmer plat, je controlesysteem.”&lt;br /&gt;Ondertussen was de grote pot al wat meer gevuld.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Hij ging verder met kuisen en dacht na over de vragen die waren opgedoken bij zijn heldere droom. Plots kreeg hij het idee om een drankje te maken. Een drankje dat zijn geest wakker zou kunnen maken in een droom, zonder de droom te stopppen. Hij zou dus zijn droom helder kunnen ervaren als in een trip en die zich kunnen herinneren. Hij zou er zelfs in doen wat hij wou.&lt;br /&gt;Hij staakte de opkuis en pakte een machet om een stukje ayuasca af te kappen. Met het stukje stronk in zijn hand veegde hij de rommel van de tafel om plaats te maken. Een kwartiertje later zat hij in volle extase drankjes te brouwen, poedertjes te malen, en stoffen af te gieten. Later op de dag na vele mislukte pogingen kwam hij met iets. Het was een korrelig papje op basis van verscheidene amfetamines en ayausca en andere planten die onder andere dmt bevatten.&lt;br /&gt;Hij dacht vooral dat de kleine hoeveelheid dmt erin het drankje zou laten werken.&lt;br /&gt;“Dmt is een speciaal iets,” dacht hij luidop “Het komt overal in de natuur voor, het zit in meeste planten en meeste dieren maken het aan in hun hersenen. Dmt zorgt ervoor dat we ’s nachts dromen. Dmt is meer dan een stofje in de hersenen. Het is een sleutel naar een andere dimensie. Wanneer we sterven, is het laatste wat de hersenen doen: massaal dmt aanmaken. Geen wonder dat we het licht zien voor we doodgaan. Maar ook als we dromen. Elke nacht maken we dus een trip mee. We weten niet wanneer dromen nu juist beginnen of eindigen, ze gebeuren niet alleen tijdens de rem-slaap, maar ook gewoon in diepe slaap, of zelfs in halfslaap. Het is wel zo dat de hersenen even wakker zijn overdag als tijdens de rem-slaap. Gans het lichaam slaapt dan, behalve de ogen die volgen naar wat je kijkt in je droom. Soms kunnen weten we heel goed wat we gedroomd hebben, vaak weten we helemaal niet of we gedroomd hebben. ’s Morgens bijvoorbeeld wanneer we gedeeltelijk wakker zijn en toch nog verder kunnen dromen, en we ons die dromen ook kunnen herinneren. Dat is wanneer het bewuste deel van de hersenen terug wordt geactiveerd terwijl de onze geest nog in een droom is. Bij bewustzijn komen ook geheugen en herinneringen terug. Dat effect moet ik kunnen krijgen, wakker worden in een droom, en niet alleen ’s morgens. “&lt;br /&gt;Hij hoopte dat de dmt erbij voor een soort droomtrip kon zorgen. Want dmt is als een droom heel levendig beleven. Dat is wakker dromen. Het is ook een zeer natuurlijke stof, aangezien bijna alle dieren dit aanmaken en dus ook kunnen dromen.&lt;br /&gt;“Waarom dromen we?” stelde hij terwijl de korrelige pap in een grote kom deed. Die zette hij te drogen terwijl hij ermee schudde, zodat er korrels ontstonden.&lt;br /&gt;Nu zat hij nog met de vraag hoe hij dat moest nemen en wanneer. Tijdens zijn slaap kon hij het niet doen natuurlijk. Hij moest het dus nemen voor hij ging slapen en het zou na een bepaalde tijd, als hij al diep aan het slapen was, beginnen werken. Het moest dus in een pil. Hij had nog ergens pilcapsuletjes liggen, dus maakte hij twee pillen. Hij duwde de capsules nogmaals in tweede capsule, zodat ze langer heel zouden blijven in zijn maag.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Die avond zou hij het uitproberen. Eerst legde hij alles klaar voor een goede nachtrust, ook zette hij een tegengif klaar voor het geval dat er iets fout zou lopen. Vooraf moest hij zichzelf moe maken en zo lang mogelijk wakker blijven, zodat, als hij ging slapen hij de eerste trein naar dromenland kon nemen.&lt;br /&gt;En zo wachtte hij tot de avond viel en nog veel langer tot zijn ogen dichtvielen van de slaap. Dan slikte hij een dubbelwandig pilletje in en viel als een blok in slaap.&lt;br /&gt;Het werd heel stil in de bus voor een uurtje. Want plots schoot hij wakker. &lt;br /&gt;“Het is nog steeds nacht, waar is de zon? Ik ben klaarwakker en uitgeslapen.”&lt;br /&gt;De pil had hem een enorme energie geleverd en hem wakker gemaakt geestelijk en lichaamlijk, wat niet de bedoeling was.&lt;br /&gt;Nu zat hij springlevend met een ganse nacht voor hem. Hij kon evengoed een reisje maken en als het uitgewerkt was nog eens proberen met een ander middeltje.&lt;br /&gt;Eerst dacht hij iets met papavers te maken, maar daar kwam hij op terug. “Ik kan beter actief blijven, als ik daarna moe word, val ik als een blok in slaap.” Het was eigenlijk heel gevaarlijk om nu een andere reis te ondernemen, met de werkende pil in zijn maag. Het is alsof je in een onderwaterduikboot zit met tonnen water boven je hoofd en je besluit opeens om verder te gaan met de fiets. Dat loopt ook niet goed af. Maar de ‘droom’pil schakelde iets uit in zijn hersenen. Hij voelde geen angst of onzekerheid meer, wat natuurlijk leidde tot roekeloos reizen. &lt;br /&gt;Hij had nu een willekeurig potje uit het ‘nog te testen’ rekje genomen en goot naar believen wat op zijn tong. “Waaw! Dat blandt!” riep hij met zijn tong uit zijn mond. Op zijn knieën sprong hij in het gras en begon ervan te eten met het idee dat dat zijn brandje kon blussen. Maar het gras sneed juist in zijn tong, wat tot nog meer pijn leed. Hij sloeg zijn vuist vreselijk hard tegen de bus, om de pijn in zijn mond te compenseren met een andere. Uiteindelijk stak hij een onrijpe tomaat in zijn mond om het roepen wat te dempen, want hij schreeuwde hij uit. Ondertussen gromde Changamalo gefrustreerd omdat die uit zijn slaap was gehaald. &lt;br /&gt;Toen de pijn overging startte een verwarring. Hij voelde zich nogal euforisch worden, maar op een ongemakkelijke manier. Op een manier dat je niet goed weet wat te doen. Hij wil iets gaan doen, maar weet niet wat en blijft dan maar waar hij is, zich een beetje goed voelend. Hij kon niets meer besluiten, hij kon niet meer kiezen. &lt;br /&gt;“Ik wil wat doen... Maar wat? Wat wou ik ook weer doen?” vroeg hij zich nerveus af. Uit verveling keek hij maar wat rond en vondt een kaars die hij aanstak. “Dat was een goed idee, nu hebben we licht.” Moedigde hij zichzelf aan. “Wat nu?” Nu keek hij opnieuw rond in de hoop een nieuwe hint te krijgen van wat hij zou moeten doen op dit moment. Hij zag een stapel boekjes liggen en begon erin te bladeren zonder ook maar een woord te lezen. Zijn hoofd zat vol met dingen en vragen en onbeslistheden, maar van actie was er geen sprake. Veel wind, weinig regen. Toen hij tot de conclusie kwam dat hij niet aan het lezen was, stopte hij met bladeren en probeerde een artikel te lezen dat op pagina 19 in een wetenschappelijk tijdschrift stond.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;&lt;span style=&quot;text-decoration:underline&quot;&gt;Belgische artsen brengen hersenactiviteit tijdens 'out-of-body experience' in beeld&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Een team van Belgische artsen, onder wie medewerkers van K.U.Leuven/UZ Leuvenis er voor het eerst in geslaagd om bij een patiënt de plaats in de hersenen in beeld te brengen die verantwoordelijk is voor de zeldzame ‘out-of-body experience ’. Het onderzoek is deze week verschenen in het medisch vaktijdschrift The New England Journal of Medicine (NEJM).&lt;br /&gt;De vaststelling gebeurde veeleer toevallig bij een 63-jarige man die in het UZ Antwerpen in behandeling is voor oorsuizen. Om de luidheid van zijn oorsuizen te verminderen, plantten Antwerpse artsen een hersenimplantaat in dat kleine elektrische schokjes geeft aan dat deel van de hersenen dat overactief is bij oorsuizen.&lt;br /&gt;Na inplanting stelden de artsen herhaaldelijk vast dat een bepaalde combinatie van stimulatieparameters een out-of-body-ervaring bij de man opwekte. De episodes varieerden van 15 tot 21 seconden.&lt;br /&gt;Tijdens de out-of-body-ervaring rapporteerde de man dat hij het gevoel had dat hij zich tot een halve meter buiten zijn lichaam bevond, steeds aan dezelfde zijde, links achteraan. Zijn perceptie van de buitenwereld bleef al die tijd onveranderd en de episodes gingen niet gepaard met autoscopie. Dat is de indruk dat men zijn eigen lichaam vanuit een ander standpunt waarneemt.&lt;br /&gt;Daarop werden bij de man in het UZ Leuven 12 hersendoorbloeding PET-scans uitgevoerd, waarbij zijn hersenen in willekeurige volgorde werden gestimuleerd met het hersenimplantaat, in effectieve of verschillende placebo-instellingen. De scans toonden specifiek tijdens de out-of-body-ervaringen een buitengewone activiteit aan in twee belangrijke hersenzones in de rechter temporoparietale overgang.&lt;br /&gt;De vaststellingen van het Belgische team zijn van belang om te begrijpen wat er in onze hersenen gebeurt tijdens out-of-body-ervaringen. Tevens helpen de vaststellingen om verder inzicht te verwerven in de wijze waarop onze hersenen in staat zijn om onze zelfperceptie te creëren.&lt;br /&gt;Wetenschappers gaan ervan uit dat een out-of-body-ervaring of buitenlichamelijke gewaarwording ontstaat wanneer onze hersenen er niet langer in slagen om onze zelfwaarneming, tastzin, gezichtsvermogen en evenwichtszin met elkaar te integreren. Onder meer sommige patiënten met epilepsie of migraine melden een out-of-body-ervaring.&lt;br /&gt;De Ridder D., Van Laere K., Dupont P., Menovsky T., Van de Heyning P.: Visualizing Out-of-Body Experience in the Brain. The New England Journal of Medicine 2007;357(18):1829-33.&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Normaal zou hij hier allerlei inspiratie en nieuwe ideeën uit krijgen. Misschien manieren om zelf zo’n ervaring mee te maken, of een nieuw drankje dat hij zou gaan bereiden. Hij zou er  minst een oordeel over hebben. Hij zou het tijdschrift teruggooien als het hem niet aanstond of apprecieren als hij het waardevol vond. Maar het deed hem niets. Het was alsof alles dwars door hem ging, dat het hem niets deed en het hem ook allemaal niet kon schelen. Het erge was dat hij zich daar van bewust was en hij het probeerde tegen te gaan. Hij probeerde het hem te doen schelen. Hij zocht naar woorden om te zeggen wat hij van ervan vond, maar wist zelf niet wat hij moest denken. Voelde het goed, voelde het slecht? &lt;br /&gt;Hij voelde niets meer. Alle informatiekanalen waren gesloten, niets kon erin, ook omgekeerd kon er niets uit. &amp;quot;Jezelf niet kunnen uitdrukken is het ergste dat er is.&amp;quot; Dacht hij, maar die vaststelling raakte niet tot buiten. De gedachte bleef ergens in zijn hoofd rondzweven, samen met de andere die nooit het daglicht zouden zien. Zijn hoofd vulde zich voller en voller. &amp;quot;Hoeveel zou iemand kunnen denken voor hij gek wordt?&amp;quot; &amp;quot;Wanneer ben je gek?&amp;quot; &amp;quot;Wat is het verschil eigenlijk?&amp;quot; Hij sloeg zijn handen tegen zijn gezicht en kneep er in. &amp;quot;Hoe bevrij ik mezelf?&amp;quot; &amp;quot;Waar is de uitgang?&amp;quot; Hij trok aan zijn gezicht in de hoop dat het eraf zou vallen. Hij riep luid, maar er kwam geen geluid uit zijn mond. De schreeuw weergalmde nog steeds luid in de binnenkant van zijn hoofd, luider en luider. Hij voelde de druk van zijn overvolle hoofd naar buiten duwen, hij kneep zijn ogen toe, stopte zijn vingers in zijn oren en klemde zijn tanden op elkaar. Een luid onverstaanbaar geroezemoes suisde door zijn schedel. Hij voelde zijn hoofd barsten. Met zijn handen duwde hij tegen zijn slapen in een poging zijn schedel bij elkaar te houden. Kleine breukjes liepen van zijn slapen naar zijn gezicht. Als een barstende steen scheurde zijn hoofd langs alle kanten. Wanhopig hield hij de brokken bij elkaar, maar het mocht niet baten. De eerste scherven vielen op de grond, gevolgd door de rest van zijn gezicht. Hij zakte op zijn knieën, en huilde om zijn neus en kin die in duizend stukjes op de verspreid grond lagen. Changamalo kwam binnen en begon te snuffelen tussen al die brokken en stof. &amp;quot;Stop Changamalo!&amp;quot; riep hij en hij sloeg zijn hond woedend weg van zijn gebroken gelaat. Doordat hij zijn handen van zijn hoofd losliet, viel de rest van zijn hoofd kapot op de grond.&lt;br /&gt;Met een bezweet lichaam schrok hij wakker in zijn hangmat, zijn handen schoten naar boven. Zijn hoofd was er nog.&lt;br /&gt;Hij was mentaal gebroken en barstte in tranen uit. Na een goede genezende huilbui herstelde hij zich. Het was nog steeds donker. Hij besloot buiten te wachten op de zonsopgang. Hij voerde het ritueel van de heilige cirkel uit en zette zich op zijn gemak neer in het midden. &amp;quot;Het is verwonderlijk hoe een huilbui kan opluchten.&amp;quot; zei hij, &amp;quot;Sommige emoties mogen dan nutteloos of zelfs hinderlijk lijken, ze hebben hun nut wel. Verdriet is mentale genezing na een psychische tegenslag, angst zorgt voor oplettendheid en voorzichtigheid in een mogelijke gevaarlijke situatie, blijdschap is gezond voor gans het lichaam en geest, maar wat met emoties van wanhoop, haat en wraak. Dat zijn toch slechte emoties? Die emoties breken de geest af. Het is vreemd hoe deze kwade emoties ook tot positieve gevoelens kunnen lijden. Een wraak kan zoet zijn, haat kan aanzetten tot groepsgevoel en samenhorigheid van gelijkgezinden. Terwijl angst soms een gezonde en instinctieve reactie is leidt het vaak tot kwade dingen zoals haat, achterdocht, vooroordelen en ook wraak.&amp;quot; Changamalo kwam juist uit de bus trippelen. Hij gaf hem een stevige omhelzing en verontschuligde zich voor de klap die hij zijn hond had gegeven. Of was dat een droom geweest?&lt;br /&gt;De hemel was nog steeds zo donker als voordien. &amp;quot;Die duisternis heeft iets moois, iets vredig. Duisternis is de stilte van het licht. Voor lange tijd genoot hij van die stilte terwijl de sterrenhemel langzaam draaide om de aarde. In feite is het omgekeerd, de aarde draait, niet de sterrenhemel. Vroeger dacht men dat de aarde het middelpunt van alles was. Het heelal bestond uit de vier oerelementen. Van binnen naar buiten komen aarde, water, lucht en aan de rand van het heelal is vuur. Volgens de oude Grieken was de wereld omringd door het heilige vuur. Maar is het voor-Copernicaanse idee van het aarde als middelpunt dan zo verkeerd? Later kwam men tot de conclusie dat de zon het werkelijke middelpunt was. Maar dat was ook niet juist want de zon is een van de vele mijarden sterren die ronddraaien in een platte schijf van sterren dat we de melkweg noemen. Van hieruit gezien verwijderd elke ster en elk sterrenstelsel zich van ons vandaan. En hoe verder ze staan hoe sneller ze bewegen. Zitten we dan toch in het midden? Nee, maar waar is het midden? Het is als een ballon met stippen die wordt opgeblazen. Vanuit elke stip verwijderen de andere stippen zich, dus elke stip kan als het middelpunt worden beschouwd. Het heelal is een sfeer waarvan het centrum overal is, maar tegelijk ook nergens specifiek. Kunnen daarom zeggen dat er geen midden is? Als je het niet kan lokaliseren, betekent dat het dan niet bestaat? Het bestaat waarschijnlijk wel, maar we kunnen het nooit vinden, het is namelijk overal. Iedereen heeft trouwens een ander midden van het heelal. Als we in een open vlakte rondom ons kijken, zien we een ronde zichtbare sfeer rond ons, waarvan de grenzen een cirkel vormen. En in het midden staat de waarnemer. Omdat we nooit op dezelfde moment op dezelfde plaats kunnen zijn, heeft iedereen een eigen uniek heelal. Als we alle heelallen van iedereen samennemen, dan is de aarde toch het midden. Hadden die voor-Copernicanen dan gelijk? De aarde het midden van alles? Eigenlijk wel, het is maar een kwestie van denkwijze. Aangezien we allemaal op de aarde leven, zullen we ook altijd vanop de aarde de ruimte in kijken. Dus voor de mensheid is de aarde het midden.&amp;quot;&lt;br /&gt;&amp;quot;Maar nu is het flagrante dat we niet eens vanuit ons eigen midden kijken. We kijken met ons rechter- en linkeroog, en geen van de twee is het midden. Ons midden ligt in het midden van ons voorhoofd ongeveer 3cm dieper in het hoofd. Op de plaats waar de emoties en gevoelens vrijkomen. Het is toch vreemd hoe we dan kijken met beide ogen, zonder dat een ervan vanuit het midden kijkt. Gelukkig kunnen onze hersenen zich wel redden met wat we kunnen zien ook al is dat niet ons midden.&amp;quot;&lt;br /&gt;De zonsopgang bleef uit. En hij begon een beetje achterdochtig te worden, maar wist dat de zon elke dag opkomt en ondergaat. Maar kon hij er dan vanuit gaan dat dat nu ook zou gebeuren? Het is niet omdat iets tot nu toe elke keer gebeurde dat nu niet anders zou kunnen zijn. Maar als je al niet zeker van dat kan zijn, van wat dan wel? &amp;quot;Maar er zit wel iets in die redenering.&amp;quot; vond hij, &amp;quot;Het is niet omdat je na honderd keer een steen los te laten, dat die ook de honderd-en-eerste keer op de grond zou vallen. Daar kun je toch niet vanuit gaan. Het is als de kip en de boer. Elke morgen komt de boer uit zijn huis en stapt naar de kippenren. De kip weet dan dat die dan eten krijgt, omdat dat tot nu toe altijd zo geweest is. Op een dag komt de boer naar buiten, stapt naar de kippenren en hakt de kip de kop af. &lt;br /&gt;De natuurwetten bestaan dus niet, want waarom zou het van de een op de andere moment niet anders kunnen zijn?</description>
            <author>Cobblestoned</author>
            <pubDate>Mon, 13 Jul 2009 17:41:50 UT</pubDate>
        </item>
        <item>
            <title>Op reis in de spirituele jungle</title>
            <link>http://nl.netlog.com/Cobblestoned/blog/blogid=82195838</link>
            <description> Een verhaal van mij, maar het is nog niet af, het echte begin moet nog komen&lt;br /&gt;Als je zin hebt om te lezen... zeg wa ge ervan vindt aub&lt;img class=&quot;smiley&quot; src=&quot;http://v.netlogstatic.com/v4.00/2445//s/i/smilies/smile.gif&quot; alt=&quot;:)&quot; /&gt;&lt;br /&gt;____________________________________________&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span class=&quot;textAlign textAlignCenter&quot;&gt;&lt;strong&gt;Op reis &lt;br /&gt;in de &lt;br /&gt;spirituele jungle&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Door Gerd de Kinderen &lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Inleiding&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Beeld je in dat je zonder iets te weten in de wereld wordt gegooid. Je kent je eigen naam niet en hebt geen idee waar je bent en hoe je daar bent gekomen. Wat is die vreemde wereld om je heen? En waarom is die daar?&lt;br /&gt;Je bent alleen en iedereen bekijkt je scheef. Waar moet je naar toe? Wat is je doel? Niemand die een antwoord geeft op je vragen. Je moet zelf maar leren hoe te leven. Maar wat is dat leven moeilijk als je niet eens weet wie je bent.&lt;br /&gt;Langzaam kom je dingen te weten over die akelige wereld. Hoe meer je ervan ziet, hoe minder je wilt zien. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;&lt;br /&gt;De boom van muziek&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Heel erg lang zou het niet meer duren, ongeveer 1, maximum 1 en een halve belcanto. Dan zou de reis beginnen. Ondertussen bekeek hij zijn buit verzamelde spulletjes. De materiele schatten van de aardse wereld. Hij haalde uit een plastic zak een schedeltje van een dier, waarschijnlijk van een jonge vos of hond geweest. Hij hing het aan een uitstekend nageltje dat nog niet bezet was door andere rommel. Voor hem was het geen rommel. Onder andere gebroken cds, glazen flesjes in zeldzame vormen en mooie kleuren, stukjes stof, kinderspeelgoed en een antieke kaarsenhouder die fluorood was beschilderd hingen aan de wand en plafond van zijn autobus.&lt;br /&gt;Hij leefde in een gestrande schoolbus zonder banden, verroest en overwoekerd door de groene natuur. De meeste ramen waren nog intact, op een paar barsten na. Ze waren allemaal beschilderd met etnische vormen, lijnen en cirkels in een bruinzwarte verf. Je kon de verfvegen duidelijk zien door het licht van een ondergaande zon. De meeste zetels van de bus waren eruit, zo had hij genoeg plaats om een geschikte leefruimte te maken. Achteraan hing een hangmat met een net over tegen insecten. Het was reeds vele keren genaaid en met lapjes stof gerepareerd, maar het werkte nog behoorlijk. Er stond een gietijzeren kacheltje in het midden van de bus dat ook dienst deed als fornuis. Voor de rest bestond zijn keuken uit een kastje met al het nodige bestek en potterij, een rekje met voedingsmiddelen die niet slecht konden worden. Veel blik, kruiden, gedroogde groenten en noten, natuurlijk at hij wel meer dan dat, maar dat moest hij dan gaan zoeken buiten.Hij had ook wel een kleine plantage van groenten. Op het dashboard stonden bloembakken met groeiende savooien, wortels en op de passagierszetel stond een groot geworden tomatenplant. Voor ander voedsel moest hij gaan jagen of het nemen uit het dorp. Hijzelf leefde een eind in de natuur op een heuveltop begroeid met dikke klimplanten. Met een uitzicht over bossen en moeras. Het dorp lag een halve dag stappen.&lt;br /&gt;Hij haalde het volgende object uit de platic zak. Het was een glazen peertje. Doorzichtig glas, met 40Watt erop gedrukt. Hij bondt er een touwtje rond en bondt het andere uiteinde aan een zelfgemaakte constructie van buizen en stokken in een andere hoek van de bus, wat hij de Shuttle noemde. &lt;br /&gt;Voor de rest haalde hij er een handvol noten en enkele braambessen uit, en legde de zak weg.&lt;br /&gt;Hij keek naar zijn versierde wand en glimlachte. ‘Weer een paar triomfjes bij’ dacht hij. Zijn blik gleed rondom de wanden van de bus. Een schilderijtje van een onbestaand wezentje, een zakmes, afrikaanse beeldjes en een masker in warme natuurkleuren, slingers en ballonetjes, boeken en nog zoveel meer. Een hond gromde even en kwam dan naar binnen trippelen om zich aan zijn voeten neer te vleien. Hij woonde niet alleen, maar samen met zijn beste vriend, Changamalo. &lt;br /&gt;Hij was een tamelijk grote hond, had veel weg van een scheper, maar had langer haar, meer als bij een bouvier. Changamano werd sinds geboorte verzord door zijn baasje, en dit nu al 15jaar.&lt;br /&gt;Een zacht krakje wees erop dat een halve belcanto verstreken was: Hij had een oude antieke klok, maar ze was nogal kapot. Ze tikte nog wel, maar ruim 3 keer sneller dan normaal. Ook bleef de minutenwijzer steeds 2min40s voor het cijfer 7 hangen, dan ‘krakte’ het en liep verder. Hij wist dat het +- 2min40s duurde want zo lang kon hij zijn adem inhouden. De urenwijzer ontbrak. En de secondewijzer tikte heel vreemd, 1 tik vooruit en 2 tikken achteruit. Dit duurde heel lang. Om bijvoorbeeld van het cijfer 2 naar het cijfer 1 te tikken kostte dat 10min. Simpelweg duurde 1 volledige omwenteling met pauze op de 7 inbegrepen, niet 1 uur maar pakweg 21 min en een beetje. Dit noemde hij 1 belcanto, omdat dat het merk was van de klok, Italiaans.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Hij legde zich in zijn hangmat en dacht na over zijn reis die hij straks ging ondernemen. Hij overliep de vragen waarop hij antwoorden moest vinden. Dat was het doel van zijn tripjes: achter de antwoorden van de grote vragen van het universum komen. Veel antwoorden had hij nog niet, eerder meer vragen bij gekregen. Dat komt ervan als je het onbekende probeert te ontsluieren, je krijgt meer vragen.’De grote vraag is: wat is het begin van alles. Was er voor het begin van alles niets? Dat kon logischerwijs niet. Want als er niets is, kan er niets gebeuren, ook niets onstaan, want niets blijft altijd niets omdat er niets gebeurt, ‘redeneerde hij. Er kon dus geen begin zijn. Want als er al een begin was, dan was daarvoor ook iets. Dat moest dan ook weer een begin hebben, daarvoor zou ook iets geweest moeten zijn. Het gaat oneindig door. En daar loopt het vast. Oneindigheid. Hij probeerde zich dat in te beelden.&lt;br /&gt;Hij wreef in zijn ogen en kreunde van vermoeidheid. Changamalo keek hem vanop de grond aan, en liet een vragende geluidje weerklinken. Hij zuchtte en sloot zijn ogen.&lt;br /&gt;Hij luisterde naar de stilte. Ze klonk zo vredig maar had iets van een stilte voor de storm. “Hoor ik iets?” riep hij heel luid, nog steeds met zijn ogen toe. De stilte scheurde brutaal open,  en groeide terug dicht. Na even zijn adem in te houden en te genieten van dat mysterieuze moment. Kwam hij tot het besef dat hij moest vertrekken. “Het gaat meteen beginnen, ik moet me klaarmaken!” Hij nam haastig een plastic zak en stak daarin een glazen bol zo groot als zijn vuist, een schaaltje,  enkele droge kruiden en een pijpje. Changamalo keek aandachtig rond naar wat hij aan het doen was, maar bleef liggen. Met de plastic zak in zijn hand sprong hij uit de bus en huppelde naar een open plek in het gras. Hij had daar palen in de grond gestoken en er touwen tussen gespannen. Rondom tussen de palen stonden houten beelden die hijzelf had uitgesneden. In het midden lagen resten van een kampvuur Het was een heilige plaats. &lt;br /&gt;Haastig liep hij één rondje rond die plaats, liep een tweede rondje waarbij hij de beelden kort aanraakte en ging dan aan een houtblok zitten om de kruiden te vermalen. Ondertussen neuriede hij een melodie. Het geluid waaide als een stroom binnen de palen. Als een onrustig dier probeerde het geluid te ontsnappen uit de heilige cirkel, maar de palen waren een gevang. Naarmate hij verder neuriede groeide de razende wolk van geluid. Luider en luider klonk het. De palen konden het bijna elk moment begeven, door de beukende geluidsgolven. Maar dat gebeurde niet. De draden die de palen verbonden konden niet breken. Hij was helemaal rustig. Al neuriend nam hij de kruiden die hij zo kalm gemalen had en prepareerde een pijpje. Het geluid was nu zo groot geworden dat het de heilige cirkel volledig vulde en in een steeds versnellende draaikolk veranderde. Nu was de tijd aangebroken. Hij stopte met neurien, stopte het pijpje in zijn mond en stak het aan. Hij trok. Het enige wat je nu hoorde waren de brandende kruiden die knetterden als hij inhaleerde. Het gekke was dat nu hij die melodie niet meer zong en hoorde, hij ze kon smaken. Ze hing daar immers nog steeds als een woeste draaikolk in de cirkel. Maar nu inhaleerde hij ze. De smaak van kruiden was die van de melodie en het was onbeschrijfelijk hoe dat voelde. &lt;br /&gt;Zo zat hij daar een tijdje genietend van de klanken op zijn tong en de stilte in zijn oren. Zijn hoofd werd leeg. Plots hoorde hij lage tonen op de achtergrond. Golvende frequenties die naarmate hij er naar luisterde luider en luider klonken. Ze zeiden hem dat hij moest gaan. Hij zette zich rechtop en trok zich omhoog. De golvende tonen, begonnen op spiralen te lijken. Het werd een woeste draaiing toen hij probeerde te stappen. Hij was veel de duizelig en struikelde. Alles werd zwart. Hij kon zich niet verroeren. Hij had geen idee meer waar hij was en kon zich ook nergens op orienteren. Behalve op zichzelf. Hij luisterde naar zijn lichaam en hoorde kolkende bloedvaten in zijn oren. Bloed werd naar alle delen van zijn lichaam gestuwd. Hij luisterde naar de lucht die hij inademde, zijn longen die uitzetten en terug in krimpten. Zijn hart was als een gigantisch gespannen vlies waar een reuzehamer op sloeg. Sneller en sneller. Bij deze ritmische tonen hoorde hij pruttelachtige geluidjes. Af en toe een broebeltje van zijn maag en darmen. Daarbij kwamen geluiden van iets dat uiteengerokken werd, als touwen die zich opspanden en ontspanden. De ene lager de ander hoger, dit waren de spieren. Veel sappige geluiden klonken van overal uit zijn lichaam. Vocht dat ergens werd doorgestuwd of uitgeperst, dat soort geluid. Zijn lichaam was een chaotisch orkest van allerlei klanken. Electriciteit dat door kabels zoefde, van zijn vingertoppen naar zijn hersenen en terug. Een krakelend geluid kwam van dorre bladeren die hij aanraakte. En het getrippel van een insect dat vlakbij zijn oor kwam. Het insect had zo te horen veel meer poten dan hem. En het liep zo snel, het leefde volgens andere een tijdschaal. De wereld bewoog veel trager, maar het insect niet. Het sprintte over droge bladeren en takjes. Beetje bij beetje werd het zwarte beeld gevuld, met wat afgetast werd door het beestje. De droge grond, grassprietjes en bladeren. Het insect stopte voor een gigantische muur. De muur klonk hol en houterig. Er klonk iets van daarbinnen. Als je goed luisterde hoorde je leven in die muur. Er stroomde iets vanuit de grond en passeerde hem. Hij werd opgezogen in die bast, waar allemaal kanaaltjes met water naar boven liepen. Door een van die kronkelende buizen werd hij naar boven gestuwd door een kracht die je niet kon tegengaan. Naar beneden proberen zwemmen was zinloos. Hij werd meegevoerd verder weg van waar hij was, hoger en hoger. Het was een tunnel zonder einde leek het wel. Luide suizingen klonken van achter en van voor hem, maar ook vanuit de wanden van die grote buis. Er vanderde niets tot plots een splitsing kwam. In het wilde water werd hij in een bocht gedrukt en terug verdergeduwd. Weer een splitsing en nog een. Plots een versmalling gevolgd door een hele boel bochten en splitsingen, die hij zonder meer moest ondergaan. Verzet was zinloos. De versmallingen begonnen pijn te doen. En de suizingen waren hoger en feller beginnen te klinken. Dit duurde nog even tot hij plots in een grote verbreding kwam. Het suizen was gestopt en nu zag hij in wat voor een prachtige plaats hij was terechtgekomen. Hij zag geen zijwanden meer, alleen een bodem en een plafond. Hier was het heel rustig en prachtig. De bodem en plafond bestonden uit grote opblaasbare panelen met een mooi groene kleur. Uit het plafond scheen een fel licht dat gans de zaal in een groene gloed hulde. Het licht verliet de zaal weer via de vloer. Er klonk prachtige muziek. Harmonieze klanken en geluidjes vulden de ruimte. En het voelde allemaal zo warm. Alles is muziek. Alle leven, alle materie, alles bestaat uit muziek. Atomen bestaan uit elektronen, protonen en neutronen. Protonen en neutronen zijn dan nog eens opgebouwd uit drie quarks. Deze quarks en elektronen zijn golven, geen deeltjes, geen bolletjes in de ruimte, maar golving van de ruimte. Het zijn de golven die muziek maken, zoals een vioolsnaar die een golvende toon in de klankkast stuurt. Het zijn minuscule trillende snaartjes waaruit het universum is opgebouwd. Ze zien eruit als één dimensionale cirkeltjes die bewegen volgens hun bepaalde frequentie. Ze dansen in de ruimte op hun eigen frequenties, elk op een andere. Zo is elk deeltje een samenspel van tonen en elk atoom is een harmonie van deze klanken. Moleculen zijn hele symfonieën. De muziek geeft alles een betekenis. Ook licht is muziek. Als een lichtstraal van een zekere toonhoogte een molecule met dezelfde toonhoogte raakt, begint die mee te trillen en gebeuren er dingen mee. Ze maken geluid, krijgen kleur, kunnen bewegen. Dankzij de muziek is er kleur, geluid, aanraking, licht en leven. Hij zwom als een heerlijke muziektoon in een zee van geluid.&lt;br /&gt;Hier wou hij voor eeuwig blijven dacht hij. Vrij zwom hij rond, onder de indruk van al dat pracht. Plots zoog iets hem naar boven en werd hij in een spleet tussen twee groene cellen geperst. Iets verder zag hij een happende opening, die alles naar buiten smeet. Hij werd dichter getrokken naar het licht tot hij de mond passeerde en in het licht werd gecatapulteerd. Hij zweefde en voelde zich vrij. Alles was verlicht en stil op het geluid van de wind na die bladeren van een boom deed ritselen tegen elkaar. Met dit vredige geluid deed hij zijn ogen open. Hij lag onder een boom met de zon in zijn gezicht en glimlachte.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;&lt;br /&gt;N° 183&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;“Meer van dat gele spul” riep hij tegen zichzelf, terwijl met heftige beweging het flesje met dat gele spul zocht. Het tafeltje waar hij aan zat, was tot elke vierkante centimeter gevuld met flesjes en potjes met vloeistoffen en kristallen. In het midden stond een glazen toestel, het was een destileermachine. Er zat een paars-blauwe vloeistof in te pruttelen, het gas dat vrijkwam werd door buisjes geleid naar een maatkolf. Daar druppelde een rode transparante vloeistof in. “Hier is het, verdomme!” Elke beweging zorgde voor het schudden van het gammele tafeltje, met het nodige geklingel van het opeengestapelde glaswerk tot gevolg. Een dik plak wortel van een of andere exotische plant rolde van het snijplankje op de vloer. “Changamalo, af!” De hond had de wortel in zijn muil genomen en spurrte ermee naar buiten. Hij keek de hond na, die lag nu buiten in de zon op die wortel te kauwen. Hij zuchtte “Verdomme Changamalo, je gaat jezelf nog eens vergiftigen, je weet wat er dan gebeurt!” En hij stapte naar de hond gaf hem stuk gedroogd spek en nam de wortel in de plaats. Toen hij terug binnen kwam, was de blauw paarse vloeistof zwart uitgeslagen. Gelukkig was er genoeg van dat rode spul uitgekomen. Dat goot hij in een leeg flesje en schreef  een nummer op het etiket. Het flesje zette hij in een rekje waar op stond: “Klaar om te testen” Voor het rekje lag een boek open. Het was zijn ervaringsboek. Hierin beschreef hij de reizen die de moeite waard waren om erover te schrijven.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Op de pagina die openlag stond het volgende:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Begin april, zonsopgang, weinig bewolking&lt;br /&gt;Test: N° 183 &lt;br /&gt;Ingredienten: Peyote extract, 100 µg C4H9ON, 1 lepel methanol, moeraskruid&lt;br /&gt;Kleur: doorzichtig wit, met bruin bezinksel&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Ervaring:&lt;br /&gt;Ik nam het product dat ik gisteren had samengesteld, toen de zon opkwam. Het was mooi weer dus gingen Changamalo en ik wandelen in het bos. De eerste effecten kwamen al snel en heftig, wat dus wees dat ik een heftige trip voor me had. De effecten waren vooral visueel. Wat ik zag ging het ganse kleurenspectrum af. Je kon niet meer zien welke kleur iets had. Ik stopte met wandelen want het werd te lastig om nog verder te gaan. Voor me zag ik een veld bloemetjes die ik nog niet eerder had gezien. De kleur veranderde constant, het was een bewegend regenboogveld. Ik plukte een bloempje en stak het in mijn zak zodat ik het nuchter zou kunnen determineren. Mijn ademhaling was snel en onregelmatig en ik voelde me niet zo op mijn gemak. Daarom besloot ik even te mediteren. Ik sloot mijn ogen en zag de gekste beelden: Vibrerende spiraaltjes die in grote pixels veranderden en terug. Caleidoscopische patronen in felle kleuren. Af en toe moest ik mijn ogen openen omdat ik er te ver in werd meegetrokken. Ik zag geen vervormingen alleen de kleuren die veranderden, zoals bij een kapotte tv. Dan merkte ik iets vreemd op. Als ik naar me naar een punt concentreerde kwam daar een zwart puntje dat groeide. Dit verdween als ik mijn blik afwende. Maar hier wou ik meer van weten. Ik nam een bloempje en staarde ernaar. In het midden van het reglmatige patroon van 6 blaadjes groeide een klein gaatje. Hoe langer ik naar dat zwarte punt keek, hoe groter het groeide. Op een bepaald moment had het zo’n proporties aangenomen dat ik enkel een zwarte tunnel zag met kleuren die eromheen vliegen. Ik had er geen specieke gevoelens bij zoals angst, maar wel was ik nieuwsgierig. Ik reikte mijn hand uit in de zwarte leegte die me verwelkomde. Ik was omringd door donkerte, het was een warm deken van duisternis. Ik hulde me erin en koesterde het. In de oneindige leegte en duisternis verschenen kleine sterretjes die snel weer verdwenen. De sterretjes kwammen in grotere hoeveelheden op me af, in verschillende kleuren. I k probeerde ze te grijpen. Ze waren me steeds te snel af, want ze verdwenen zodra ik in de buurt kwam. Eentje kreeg ik te pakken. Plots een vreselijke brandende pijn in mijn hand waar dat sterretje had. Ik probeerde het van me te schudden, maar dat ging niet en mijn hand gloeide van de hitte, er kwamen kleuren uit. Ik traande van de pijn en hoe ik ook probeerde het ging niet, integendeel, de hitte kroop door mijn aderen naar mijn lichaam. Ik vreesde als het mijn hart zou bereiken dat ik zou sterven maar dat gebeurde niet. Toen het hete licht mijn ogen naderden, zag ik opeens niets meer van die duisternis. Allen een felle waas van kleuren en licht. Ik werd verzwolgen en het leek of ik stierf. &lt;br /&gt;Ik was op een andere plaats en het leek of ik echt dood was, maar ik voelde iets op mijn tong. En ik rook de plaats waar ik was en nog zoveel andere geuren. Ik opende mijn ogen ik zag mezelf liggen in het bloemenveld. Ik keek vanuit de ogen van Changamalo die mijn gezicht likte. De wereld was zwart-wit. Ik zat in het lichaam van mijn hond. Ik zat vast en kon niets meer doen, ik was de controle kwijt, Changamalo had de controle en ik was een toeschouwer in zijn hoofd. Changamalo blafte omdat ik daar zo dood lag op de grond. Ik zag er slecht uit. Bewegingsloos, mijn huid bleek, mijn ogen naar boven gedraaid, mijn tong uit mijn mond en ik had zelfs in mijn broek gepist. Ik raakte in paniek, want dit zag er zo slecht uit. Wat moest ik nu doen, Changamalo liep rond mijn lichaam snuffelend en jankend. Dit moment leek zo eindeloos te duren en het alsof dit mijn laatste momenten op aarde waren. Ik rouwde om deze situatie. Changamalo legde zich erbij neer en huilde als een wolf. De hoop leek verloren voor ons twee. &lt;br /&gt;Plots kreeg ik een idee. Ik kreeg weer hoop. Ik probeerde Changamalo iets te bevelen. Praten kon ik niet, maar als ik me op de gedachte concentreerde zou er een kans moeten zijn dat die zou overkomen. Ik concentreerde me diep: “Changamalo, sta op!... Sta op!.. Omhoog!” Het was moelijker dan ik dacht maar ik gaf niet op. Plots als uit het niets ging Changamalo staan. Ik ‘riep’ het uit van blijdschap. “Changamalo, draai je om! Draai je om Changamalo!” Met een lichte tegenzin draaide Changamalo zich toch om. “Loop daarheen!” We keken beide naar dezelfde struik, dus zou hij de boodschap wel moeten begrijpen. En hij liep een beetje verdwaasd en onwennig, maar hij luisterde. Nu moest ik me hard concentreren op de geur van een bepaalde bloem. De bloem had een scherpe geur, dus was het niet zo moelijk om me die weer voor de geest te halen. En het werkte: Changamalo begon rond de struik te snuffelen en hield zijn neus in de lucht op zoek naar die geur. Plots rook hij het en spurtte naar de bron. Het was tamelijk ver weg, maar en hond kan zoiets van ver ruiken. Het was een vettige plant zo hoog als Changamalo zelf. De plant had dikke bloemen die nogal stonken. Die bloem moest ik hebben. “Bijt af!” beval ik. Changamalo naderde maar trok zich weer terug. “Bijt die bloem af, Changamalo!” En in een snelle happende beweging had hij de helft van de plant mee. We waren weer bij mijn lichaam en Changamalo legde de bloem in mijn opengesperde mond. De nectar droop in mijn keel. Nu moest ik toch iets voelen. Plots kreeg ik buikkrampen. Maar ik zat nog steeds in Changamalo en die had geen buikkrampen. Ik werd misselijk en kreeg overal pijn. Changamalo begon luid te blaffen. Ik kon niet meer denken van de pijn. Plots kotste ik het uit. Mijn spieren waren verkrampt en deden pijn, maar ik leefde! Ik was terug in mijn lichaam dat nu wit spul aan het uitkotsen was. De slechte stoffen verlieten mijn lichaam en ik was aan de betere hand. Dankzij Changamalo ben ik in de bus geraakt. Ik heb nog twee dagen platte rust nodig gehad, maar heb het overleefd. Dankzij Changamalo.&lt;br /&gt;Sindsdien hebben ik en Changamalo iets van een spiritueel begrip voor elkaar gekregen. Met een blik naar elkaar konden we veel vertellen, want we maakten allebij deze nare ervaring mee. We zijn beste vrienden geworden, verbonden op dieper niveau.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het was ondertussen al valavond geworden en hij had nog niets gegeten behalve broodpap. Hij besloot dus om een lekkere maaltijd te bereiden. Daarvoor moest hij naar het bos om ingredienten te zoeken en zijn vallen te controleren. Hopelijk was een ongelukkige eekhoorn erin gelopen, het was al weer 5 dagen geleden dat hij nog eens vers vlees had gegeten en zijn maag snakte naar een lekker hapje vlees. Zo nam hij zijn zielsverwant mee op wandel naar beneden op zoek naar lekkers. Als eerste ging hij paddestoelen plukken, het was geschikte seizoen daarvoor. Hij kende elke paddestoel in het bos, dus was het geen probleem om de giftige van de niet giftige en de smakeloze van de lekkere te onderscheiden. Daar vondt hij enkele heerlijke vlezige exemplaren “Goed voor te bakken, maar rauw zijn ook al lekker.” dacht hij met zijn mond vol. Toen hij bij zijn eekhoornval aankwam, zag hij dat ze vernield was door een groter dier waarschijnlijk. Morgen zou hij nieuwe vallen moeten maken. “Of nee morgen ga ik vissen” zei hij tegen Changamalo. Hij verbeelde zichzelf, voorovergebogen over een gigantische gebakken karper. Hij trok nog enkele planten uit de grond, waar hij enkel de wortel van meenam, maar moest dan terugkeren aangezien het te donker werd. Op zijn terugweg plukte hij nog zoveel mogelijk braambessen. “Lekker dessertje, he Changamalo? Voor mij dan toch, jij lijkt ze niet zo te mogen.” De hond keerde zijn muil weg van zijn uitgestoken hand. “Een beetje te zuur zeker.” &lt;br /&gt;In de bus maakte hij zijn fornuis gereed en prepareerde een mushroommaaltijd met saus en veel kruiden. Ook Changamalo vondt het lekker. “Ik zou maar beter de afwas doen, het vuil trekt teveel mieren aan. Zou jij ze niet opeten Changamalo? Komaan wat voor een waakhond ben je eigenlijk, zelfs een mier kan je niet buiten houden” lachtte hij. Maar daar kreeg hij een idee voor een volgende maaltijd. “Aha mierenstoofpotje! Eens kijken wat lusten die krengen zo graag...” Hij nam een pot honing uit zijn kast. Dan zocht hij naar een geschikte fles of bokaal. Hij speurde de bus af. De grond lag bezaaid met afval, lege ampules en ballonnetjes, gebroken glas en papier en prullen die van de plafond waren gevallen. “Ik mag hier wel eens vegen.” Hij staakte het zoeken, want hij vond niets waar een mier kon inkruipen, maar niet meer kon uitkruipen. “Never mind.” &lt;br /&gt;“Vanavond blijf ik hier, thuis. Geen gereis, ik ben te moe.” Hij zette zich buiten onder de sterrenhemel en stopte een relaxerend pijpje. Met de pijp tussen zijn tanden, maakte hij een kampvuurtje klaar. En legde zich dan neer. Starend naar de sterren praatte hij tegen zijn hond: “Wat is ons doel hier Changamalo? Overleven? Waarom overleven we dan? We zijn zo nietig in dit gigantisch universum, dat ik niet begrijp wat we hier komen doen. Een verschil gaan we niet maken. We zijn uitgegroeide bacterien die zich maar blijven vermenigvuldigen. Dat is wat het leven is: jezelf kopieren en dan nog liefst zoveel mogelijk. Maar waarom? Ik ben ook de enige diersoort die die vraag kan stellen.” Hij keek diep in Changamalo’s ogen en wist dat die er geen zak van begreep. “Het ene dier heeft de gave goed te kunnen zien ’s nachts, de ander kan zijn weg vinden 1000 km van huis, nog een ander kan onder 11km water perfect zijn leventje lijden. Velen kunnen water ruiken op kilometers, als dat niet nuttig is. Wat kunnen wij? Denken. Redeneren. Wat op zich een nutteloze gave lijkt. Wat ben je ermee als je kan denken als je geen water kan vinden, of als een beest achter je aan zit, of als je door een onbekende kracht wordt vernietigd?” vroeg hij zich af. “Blijkbaar veel” zei hij toen hij een vliegtuig spotte tussen de sterren. “Maar de mens denkt teveel. We denken boven de natuur te staan, boven ons lot. Maar dat is niet zo, de natuur wint altijd. En al die kennis is toch veel te gevaarlijk. ‘Wat niet weet wat niet deert’ zegt men. Maar wij weten zoveel dat het onszelf kwaaddoet. Onze kennis keert zich tegen ons. Want met hetgeen we leren, kunnen we meer ontdekken en we vinden manieren om sneller die kennis te vergaren. Dat valt toch niet meer te stoppen. Zal er ooit een einde aan kennis komen?”&lt;br /&gt;Hij dacht lang na over die vraag, ondertussen smeet hij nog wat hout op het vuur en stopte een tweede en waarschijnlijk laatste pijpje voor vanavond. “Er valt toch oneindig veel te ontdekken. En zijn uitvindingen ook geen ontdekkingen? Ik wil zeggen dat elk idee hoe origineel ook, al bestond voor het gemaakt werd. Bijvoorbeeld de telefoon is een uitvinding. Maar de mogelijkheden waren er om die te maken. Wat je nodig had waren enkele materialen en een paar handen. Het was mogelijk om te maken dus het bestond theoretisch gezien. Het idee was er, daarom is het gemaakt. Zo zullen we veel meer dingen ontdekken, waarvan we nu nog het bestaan niet afweten, of waarvan we onszelf niet mogelijk achten het te maken. De plannen zijn gemaakt en klaar om uitgevoerd te worden, we kiezen zelf hoe en waarvoor we ze gebruiken.”&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;De kennisvrucht&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De dag begon vroeg. Nog voor de zonnestralen alles konden verlichten. Maar hij was vol energie. Luid begon hij te zingen, nog voor de eerste vogel zijn ochtendgezang liet horen. Ondertussen streelde hij zijn Cannabis Sativa. “Nog even geduld, Sativaatje, en je bent rijp om geplukt te worden.” Hij huppelde naar buiten en riep uit volle borst “Goeiemorgen!” Voor al zijn plantjes haalde hij water en zong hen een liedje, zodat ze beter konden groeien. &lt;br /&gt;Met een goed humeurtje begon hij uit een stronkje hout een beeldje te kerven. Na een tijdje begon de ochtendschemering. Plots sprong hij recht met een brede smile op zijn gezicht. Hij sprong aan zijn tafeltje en begon meteen drankjes te mengen. “Dit is een fantastisch idee,” zei hij, “dat ik hier nog niet eerder ben opgekomen.” Vliegensvlug roerde hij in een potje verschillende vloeistofjes bij elkaar. Daarbij kwam een zeer geconcentreerd kruidenaftreksel. Dat zette hij zette hij op een zacht vuurtje. “Hmm, dat ruikt wel lekker.” Dan maalde hij twee klontjes suiker met een vleugje amfetamine en voegde daar een piepklein beetje fluogele kristallen bij. “Dit is zo spannend.” Kirde hij toen hij het mengsel en het poeder samenvoegde. Dan pakte hij een handvol bloem en gooide dat erbij. De smile was niet van zijn gezicht te vegen toen hij het bruin-roze papje op een stuk aluminiumfolie smeerde en dat te drogen legde. Hij sprong in een rondje en greep Changamalo vast om hem te knuffelen. Die ergerde zich nogal op dat hysterisch enthousiasme zo vroeg op de dag. &lt;br /&gt;De belcanto’s verstreken. “Ik kan beter mijn energie gebruiken om iets nuttig te gaan doen.” Zo ging hij een val maken uit takken en maakte die klaar voor gebruik. Toen hij die in het bos ging zetten plukte hij nog veel lekkers en vond een vogelnestje met vier eitjes. “Omelet als ontbijt!” Het werd een stevige maaltijd met weeral veel champignonnen. De eerste zonnestralen bereikten de heuveltop, hij besloot buiten te chillen met een tekenblok op zijn schoot. Hij begon een vogel te tekenen die op een van de palen van de heilige cirkel ook genoot van die eerste zonnestralen. “Die vogel kan wel mooi zingen.” constateerde hij met veel respect voor het kleine vogeltje. Het was een kleurrijk beestje; groen, rood, geel, bruin en paars. “Wat is de natuur toch prachtig! Hoe kan zoiets perfect toch bestaan? Alles zit zo piekfijn in elkaar. Een vogel eet insecten, en hijzelf zal ooit eens opgegeten worden door een hogere trap in de voedselpiramide. Zo blijft alles in evenwicht. Die vogel is perfect gebouwd om te vliegen en kan prachtig zingen, dat is ook wat hij doet. Iedereen doet waar hij goed in is. Logisch, ooit al een walvis een boom zien beklimmen? Elk dier is aangepast aan waar hij leeft, zet het ergens waar het niet thuishoort en het zal sterven. Maar hoe perfect is alles toch? Zelf op microniveau zie je de genialiteit van alles. Hoe een levend wezen in elkaar zit: elke cel is een eigen organisme, een fabriekje. En ze werken allemaal samen, apart gaat het niet gaan. Zo is het overal. Het is niet te geloven dat zo iets geniaal als het leven uit niets is voortgegroeid. Hoe is zoiets complex als een dier uit een eencellig beestje voortgekomen? Je zou denken dat het zo gemaakt is, hoe kan het anders. Ik begrijp die creationisten wel. Ik geloof het zelf amper dat alles uit niets kwam. Er moet toch iets achter zitten? Een hogere intelligentie. God, de man met de baard.” grinnikte hij. “Ik geloof wel in iets meer dan dit. Een hogere wereld in een andere dimensie. Niet waar goden leven maar wel wezens van een bepaalde soort. Of misschien hogere energie en als die energie naar hier vloeit, gebeurt er vanalles, een zon wordt geboren, het leven evolueert, een explosie, een zwart gat en dan het oneindige. Het feit dat er zoiets bestaat als het oneindige bewijst toch het bestaan van een hogere dimensie. Stel je voor een wereld zoals deze...” Hij sloot zijn ogen en fantaseerde een universum, waar alles anders is, maar toch op deze lijkt.&lt;br /&gt;Afstanden zijn waardeloos en tijd is onbekend. Je bent waar je denkt dat je bent en dat kan overal zijn want er bestaan oneindig veel plaatsen waar je kan zijn. Wat is realiteit? Een fantasie is ook realiteit en realiteit is een fantasie. Alles gaat via energie: Het leven bestaat uit energievelden en die verplaatsen zich in de dimensies, zodat er overal leven mogelijk is. Er bestaat geen dood want het leven verschuift naar iets anders, maar het blijft bestaan. En alles bloeit in zijn manier. Een stervende ster is een bloem die openbloeit. En waar energie verwijnt, zoals in een zwart gat, loopt ze weg in een andere dimensie. Als een bad dat leegloopt, het water vloeit door buizen naar de hogere wereld en aan het einde van die buis hangt een kraan. Als die wereld genoeg heeft, komt er een hogere die dan volloopt. En de wereld er onder wordt dan een punt in een lagere dimensie. Dat punt zit wel nog vol water dus BANG een explosie van energie. Alles vliegt naar overal en krijgt de kans om te bloeien en nieuw leven voort te brengen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De vogel was weggevlogen. En de zon had nu de ganse heuvel verlicht. Binnen was de bereiding opgedroogd. Hij brak een stukje van de koek en legde dat op een stukje brood. De rest borg hij op in een potje. Met een volle mond glimlachte hij naar Changamalo: “Stukje?” Hij brak een stukje af dat gretig werd opgegeten. De zon klom hoger en het werd middag. “Heb je al iets?” vroeg hij ongeduldig aan zijn tripgezel. Plots sloeg zijn hart een tik extra. Zijn aderen stonden wijd open. Vreugde spoelde door zijn lichaam; een warme gloed steeg razendsnel van zijn tenen naar zijn hoofd. Hij proestte het uit van plezier en kreeg tranen in zijn ogen. “Wat leuk is dit! We zijn goed vertrokken, Changamalo!” De hond had ook iets in de mot gekregen en rende rondjes achter zijn staart van puur geluk. Elk ding dat hij zag stimuleerde zijn lachgevoel meer. Het feit dat Changamalo zijn staart achterna zat leek opeens het grappigste dat ooit zou kunnen gebeuren. Het getjilp van de vogel was de grappigste komedie ooit. En zelf de buikpijn van het lachen deed het hem bescheuren. “Hahaha alles is zo verdomd grappig.” Zijn stem klonk schril en dat zorgde voor een tweede lachbui. Hij ging dubbel, dus daarmee was zijn drang om te gaan liggen meteen opgelost. Tot veel was hij niet meer in staat, behalve lachen om alles. Changamalo liep vol vreugde met een stok te spelen. Hij maakte een flikflak en probeerde de stok af te nemen. Beide sprinten vol plezier achter een stok die hij zelf had weggegooid. “Dit zalige moment is te grappig en het mag niet stoppen, toch niet nu nee.” Ze rollebolden van de heuvel in het lange gras. “Laten we verstoppertje spelen in de boom.” hijgde hij. “Ik bedoel het bos, hahaha!” Ze zaten elkaar achterna om ter snelst en maakten veel plezier. Plots zag hij een vos waar hij met plezier achter rende om mee te spelen. Hij vond dat ook wel grappig, maar moest nu even uitblazen. De drang om met elk klein ding te lachen nam gelukkig even af, want hij was buiten adem. “Stel je voor dat ik een paddo was, zou ik trippen van mezelf?”&lt;br /&gt;Een komisch uitziende paddo zonder ogen maar met een brede mond verscheen voor hem. “Denk je dat echt? Ben je nu zo naïef?” sprak de paddo op een aanvallende toon. “Komaan, je hebt meer hersenen dan mij, gebruik ze dan, he dommerik.”&lt;br /&gt;“Sorry... ik...” hij was tot stomheid geslagen en keek met een licht schuldgevoel naar het bizarre schepsel dat hem uitschelde voor dommerik.&lt;br /&gt;“Ten eerste heb je hersenen nodig om te kunnen trippen en ten tweede heb ik die niet. Ik weet blijkbaar meer dan jou.”&lt;br /&gt;“Maar waarom praat jij dan? Tegen mij dan nog.”&lt;br /&gt;“Een beetje de wijsneus uithange, he? Stukje pretentie dat je bent. Ik ben minstens evengoed als jij! Wil je vechten? Komaan we gaan vechten!”&lt;br /&gt;“Maar... wat? Ik ga niet vechten. En daarbij je hebt geen armen én geen ogen. En je hebt juist gezegd dat je geen hersenen hebt.”&lt;br /&gt;“Gij en de andere mense, he, allemaal zo’n hogen dunk van u eige. Godverdomme gulle maakt mij ziek. En komaan mietje, klopt dan he. Komaan klop mij! Ge durft niet!”&lt;br /&gt;“En wat als ik niet durf?”&lt;br /&gt;De paddo deed een je-m’en-fous gebaar en verdween. “Wat was dat bizar, zeg” Dacht hij toen hij verder liep door het bos. Hij was Changamalo volledig vergeten en was zijn orientatie ook kwijt. “Waar ben ik nu weer?” Hij herkende de bomen niet meer, en wist de weg niet meer terug. “Wacht he, ik kom van... ik kom van daar.” Zei hij twijfelachtig. “Nee wacht,” hij stapte achterwaarts alsof hij het zich dan terug zou kunnen herinneren, “Verdomme, ik weet het niet meer.” Maar eigenlijk vond hij dat helemaal niet erg. Alles voelde toch wel in orde, ook al leek het allemaal wel raar. Hoe verder hij liep hoe dichter de bomen op elkaar stonden. De bomen leken wel te groeien. En hij hoorde gegiechel. Het was alsof de bomen hem aan het uitlachen waren. &lt;br /&gt;“Het is niet omdat ik anders ben dat je me moet uitlachen!” riep hij angstig. Het werd stil. “Was ik ook maar een boom...” Hij voelde zich alsof hij ging wenen maar dat werd omgezet in een lachbui. Lachen met tranen. “Ik voel mij goed!” brulde hij. De echo weergalmde in het donkere woud. &lt;br /&gt;“Ik ook, jong, dat hoef je niet van de daken te schreeuwen.” Dit keer was het niet de paddo die hem aansprak.&lt;br /&gt;“Wie ben jij?” Hij keek rond zich in de hoop te zien wie tegen hem sprak.&lt;br /&gt;“Ik ben een boom” klonk het van ergens.&lt;br /&gt;Er waren veel bomen dus draaide hij rondjes om te zien wie er tegen hem praatte.&lt;br /&gt;“Waar ben je?”&lt;br /&gt;“In het bos.” Was het droge antwoord.&lt;br /&gt;“Ik ook...” Hij zette zich teleurgesteld neer. Hij voelde zich draaierig te worden. Hoe lang zou het geleden zijn dat hij gegeten had? Zijn maag knorde enorm. &lt;br /&gt;“Komaan, dude, geef me iets!” klonk het van daar beneden. Hij schrok want hij had nog nooit een stem vanuit zijn eigen lichaam horen komen.&lt;br /&gt;“Geef me iets om mee te werken. Ik sta hier droog.” Hij keek naar zijn buik, en moest lachen om deze toch wel heel uitzonderlijke situatie. &lt;br /&gt;“Ik ga blijven zeuren tot je me iets geeft. Maakt niet uit wat, maar ik heb iets nodig.” Hij voelde zich wel hongerig dus hij kon zijn maag geen ongelijk geven. &lt;br /&gt;“Ik ga je stompen als je me niet snel wat geeft.” Dreigde zijn maag.&lt;br /&gt;“Wat heeft iedereen hier toch?” Hij begon maar achter voedsel te zoeken en beet van de eerste beste plant de vruchten af.&lt;br /&gt;“Dat moet toch al iets helpen.” Zei hij tegen zichzelf, niet tegen zijn maag in het bijzonder.&lt;br /&gt;Hij wandelde nog wat rond in het donkere bos en vond een stukje zonlicht zo groot dat hij er juist in paste. “Kon ik maar daarboven zien waar ik was.” Dacht hij, maar hij was geen vogel.  “Dan blijf ik toch gewoon hier even genieten van het licht.&lt;br /&gt;Plots begon hij te praten tegen zijn buik: “Euh... nee, wat is het? Wat heb ik gegeten? Geef antwoord!”&lt;br /&gt;Blijkbaar had zijn maag zoiets gevraagd als: “Weet je wel wat je gegeten hebt?” maar die antwoordde nu niet meer terug. &lt;br /&gt;Nu werd het stil in zijn hoofd. Geen stemmetjes meer, geen grappige gedachten meer. Hij voelde een drang opborrelen om iets te gaan doen, maakt eniet uit wat. Dat opborrelend gevoel kwam ook letterlijk vanuit zijn maag. Na enkele seconden supergeconcentreerd naar zijn handpalm te staren die door de lichtbundel werd verlicht, begon hij spontaan te klappen en te zingen. “Ik moet hier wat leven in de brouwerij krijgen.” Dacht hij. &lt;br /&gt;Nadat hij plots “Tshht!” hoorde, stopte hij bedachtzaam met klappen. De lichtbundel waar hij in zat was verschoven. Hij zette zich opnieuw in het licht, maar toen hij neerplofte verschoof het licht weer een meter. Elke keer als hij dichter bij de lichtvlek op de grond probeerde te komen schoof het weg. Nu vloog het met razende snelheid tussen de bomen. Hij sprintte erachter zonder een idee naar waar hij het licht volgde. Terwijl hij liep zag hij in zijn ogenhoeken links en rechts meerdere lichtbundels bijkomen. Ze volgden hem vanap een afstand en nu was hij degene die achtervolgd werd. Er kwamen er meer en meer van ver tussen de bomen en ze dreven hem naar een open plekje tussen de bomen. Daar zat hij met het angstzweet omringd door pilaren van licht. Ze bleven op een vaste afstand van hem, maar er kwamen er steeds meer aanvliegen en dat boezemde hem angst in. Hij zat nu in een gouden cilinder van lichtbundels. En het leek of ze gezamelijk zoemden. Hij probeerde uit de cirkel te springen maar dat lukte niet. Nu hoorde hij het gezoem veel luider en voelde ook iets aan hem veranderen. Hij werd lichter en begon lichtjes te zweven. De cilinder werd kleiner en hij werd hoger en hoger getrokken. Maar het leek of het licht niets slecht met hem van plan was. Hij voelde zich gewichtloos, wat een heerlijk gevoel was dat. “Wat moest dat geweest zijn dat ik daarnet heb gegeten.” Vroeg hij zich lachend af. Hij steeg sneller en sneller en vloog boven de toppen van de bomen recht naar boven naar de hemel. Heel snel verkleinde de wereld onder hem, zo zag hij zijn bus piepklein. Prachtig uitzicht om nooit te vergeten. Maar dat moment duurde niet lang want hij vloog nu razendsnel door het wolkendek en verder. In een flits zag hij de wereld onder hem verkleinen tot er niets meer van overbleef dan een puntje in de ruimte. En hij versnelde nog steeds. Hij strekte zijn armen en merkte dat de cilinder van licht nog steeds bij hem was omdat zijn handen waren verlicht. Een zwaar gebulder dreunde in zijn oren; de druk was niet te harden. Het beeld voor zijn ogen veranderde van zwart, naar dieprood. Dat rood werd oranje en geel. Hij zoefde razendsnel door een geel-oranje tunnel. Voor hem zag hij een caleidoscopische figuur bestaande uit fijne draden in alle kleuren, daarrond draaiden kleine bliksemschichten. Alles zag er nogal redelijk simplistisch uit als in een computergesimuleerde 3D-wereld. De tunnel maakte plaats voor een blauwe ruimte met groeiende witte bolletjes die opsplitsten in 5 nieuwe witte bolletjes en die deden dat weer en zo tot in het oneindige. Het was of de wereld groeide in een razendsnel tempo. In een flits zat hij in een andere. Nu zag alles groen en de roterende tunnel was driehoekig geworden, maar er zat een matglazen muur op het einde die steeds dichterbij kwam. Maar hij voelde niets toen hij erdoor ging, nu vloog hij in een vierkante tunnel met weer een matglazen muur, daarachter een vijfhoekige tunnel enzovoorts. Hij versnelde nog steeds en de muren volgden elkaar nu zo snel op dat hij de veranderingen niet meer kon zien. Hij was terug in een ronde tunnel die op het einde uitmonde in een kolkende lava. Hij voelde niets van de warmte, maar wist in zijn achterhoofd dat het geen vrolijke plaats was. Overal staken hoekige spitsen waar de lava rondstroomde. Hij vloog sneller dan al dit om iets gewaar te worden, maar het leek wel de hel. Verder zweefde een soort cartoon figuur dat een kwade god moest voorstellen. Het wierp in slow motion bliksemschichten naar hem. Hij was natuurlijk snel genoeg om ze te ontwijken maar eentje had hij niet zien aankomen en die vloog recht op zich af. Hij sloot zijn ogen, maar er gebeurde niets. Het was alsof hij zijn oogleden kwijt was. De bliksemschicht vloog dwars door hem heen alsof het niets was. Hij taste naar zijn armen of de rest van zijn lichaam maar dat vond hij nergens. Daar zag het einde van de tunnel, dat dacht hij toch want er leek niets meer te komen. En de tunnel stopte, maar hij vertraagde niet. Hij vloog in een zwarte leegte. Er was niets. “Wat is dit hier allemaal?” vroeg hij zich af. “Volgens mij ben ik licht, maar dan letterlijk een foton of zo iets. Ik heb geen lichaam, geen massa en vlieg aan een ongelofelijke snelheid. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;#in renovatie#&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De tunnel mondde uit in zijn hoofd. Hij voelde zijn vingers terug en langzaamaan kwam het gevoel in de rest van zijn lichaam terug. Het voelde alszinds goed om geen foton meer te zijn. Maar waar was hij nu? Hij opende zijn ogen en zag dat hij in het bos lag. De lichtvlek was enkele meters verschoven. Ver weg hoorde hij Changamalo blaffen. “Die zal nog wel even van zijn energiekick genieten.” Op het gemak stapte hij naar het geblaf, dat hem uit het bos zou leiden. De effecten kwamen in golven terug. Het leek net of hij door de bomen stapte, alsof ze lucht waren. Terug uit het bos merkte hij dat hij een schoen mistte. Hij staarde naar zijn blote voet en zag rare beelden. Het leek of er een transparante folie over zijn voet was gespannen en dat er tussen zijn voet en de folie wormpjes kropen. Hij kneep in de folie om de wormpjes weg te krijgen, maar stopte. “Je bent maar een illusie.” Zei hij tegen de voetfolie.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;De droompil&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;vervolg zie volgende blog</description>
            <author>Cobblestoned</author>
            <pubDate>Thu, 04 Jun 2009 21:29:17 UT</pubDate>
        </item>
    </channel>
</rss>
